Hoe mijn linkerbeen 2 cm korter werd

Van mijn regeringsperiode in 1969 heb ik nauwelijks bijzondere foto’s meer. Die zij allemaal met kerstmis 1987 verbrand. Ik herinner me dat het koud was en dat gemeentewerken (toen nog helemaal van onze gemeente) alles uit de kast had gehaald om de route van de optocht sneeuwvrij te maken. Er dreigde dus een massale griep. Als prins heb je natuurlijk veel contacten en van de vrouwenkant komen daar kussen aan te pas. Inentingen tegen de griep waren er nog niet, maar ik had het advies gekregen me daarom flink met Dampo in te smeren. Het zoenen werd dus een ontroerende bezigheid. Bij het zoeken of er toch nog ergens een foto was overgebleven kwam ik dit zwart-wit exemplaar tegen dat op het eerste gezicht aan het ophangen van de martelaren van Gorkum doet denken. Het verhaal er achter is toch de moeite van het vertellen wel waard

Het speelde zich af rond de elfde van de elfde in 1971, het jaar dat Jacques Leurs prins was. Met de raad van elf hadden we een feestelijke bijeenkomst (ik weet niet meer of het de zittingsavond of het afscheid van prins Jacques was) opgeluisterd door het beroemde pelgrimskoor uit Tannhauser van een eigen tekst te voorzien. Om de sfeer ook visueel aantrekkelijk te maken hadden we bij de paters in Alverna 13 pijen geleend; 13 omdat 11 mogelijk verdacht zou zijn.

De elfde van de elfde was een bezoek aan Wamel gepland en om ook daar de feestvreugde te verhogen werden de pijen nogmaals geleend. Jacques, als fervent bakker, had een selectie vlaaien meegebracht om uit te delen. De avond viel wat tegen en daarom hielden we de vlaaien maar zelf. (een andere lezing is dat vlaaien en bier niet zo goed samen gaan.) Zo heb ook ik met een kersenvlaai onder mijn jas het pand verlaten. Precies op dat moment passeerde een auto met feestgangers die er ook genoeg van hadden. U raadt het al, het werd een botsing als gevolg waarvan mijn voet akelig dicht bij mijn knie terecht kwam. Ik lag daar met een bus vol mensen om mij heen die allemaal vonden dat er een dokter moest komen. Het kostte dus nog al wat tijd voor er een dokter kwam die constateerde wat iedereen al had gezien; ik moest naar het ziekenhuis in Nijmegen. Tijdens het wachten op de ambulance moest ik flink mijn best doen om de omstanders wat op te beuren. Cor Adriaans, lid van de raad van elf maar vooral uitvoerder van ambulancevervoer en begrafenissen in Grave had geconstateerd dat mijn witte overhemd akelig rode vlekken begon te vertonen. Dat ik een kersenvlaai had meegenomen was niet openbaar gemaakt.

Goed, ik kwam dan toch in het ziekenhuis aan en daar was het druk. De elfde van de elfde in combinatie met winterse gladheid was er de oorzaak van. Ook hier was de schrik groot bij de aanblik van mijn overhemd. Mijn advies om er maar eens van te proeven zorgde voor een opgewekte stemming en zo werd het bij de eerste hulp nog gezellig. Maar ik lag wel mooi drie weken in het ziekenhuis en daarna 2 maanden thuis en loopgips was er niet bij. Het begrip mantelzorg bestond nog niet dus mijn vrouw had in die tijd de handen vol aan mij en vier kinderen.

Helemaal hulpeloos waren we niet. Het was wel geen praalwagen maar een bakfiets met de voorzitter van Pothuusburg aan het stuur waarmee ik met mijn hele gezin aan de optocht kon meedoen. Cor Adriaan gebruikte de ambulancetak van zijn bedrijf om er voor te zorgen dat ik kon deelnemen aan raadsvergaderingen. Ook in die tijd was het roerig in Grave met de dreigende sluiting van de Elisabeth als hoogtepunt.

Als je zo terugdenkt over dit verhaal komen er nog meer herinneringen naar boven. Die kun je met goed fatsoen maar één keer vertellen. Het is daarom nodig dat er steeds nieuwe verhalen worden geproduceerd. Kortom herinneringen ophalen aan oude carnavalsfeesten is leuk maar er gaat niets boven het daadwerkelijk beleven.

Leo I van 1969

Voeg toe aan je favorieten: Permalink.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *